.

Teksten

Hoe zien sociale relaties in woongemeenschapen eruit. Wat verwachten mensen van en waarom kiezen zij voor wonen in een woongemeenschap? Wat voor ervaringen doen zij op en hoe werkt het in een woongemeenschap?

Het gaat over ervaringen met startende groepen en om sociale motieven van mensen om anders te willen wonen. Natuurlijk spelen ook andere motieven mee, zoals politieke (veranderen van woningbouw en woningbeheerbeleid), maar ook ‘gewoon’ praktische (handig, goedkoper enz.)
Tegenwoordig worden ook verantwoordelijkheid nemen voor het milieu - dus voor je eigen footprint - en zelfstandig blijven en veiligheid vaak genoemd, vooral bij woongemeenschappen van ouderen.

Op de woongroependag van 2018 ligt de focus op het sociale aspect: wat voor soort relaties ontwikkelen zich tijdens het wonen in een woongemeenschap?
Veelzeggend zijn een paar motieven om voor gemeenschappelijkwonen te kiezen, zoals die van een twintiger die zegt: ‘ik wil niet steeds mijn jas en schoenen aan moeten trekken om een praatje te kunnen maken en ik wil niet om die reden trouwen’.

Of de begin-veertigster met ‘een leuk, heel druk sociaal leven in Amsterdam en veel vrienden’ die toevallig iets las over Centraal Wonen en besloot om te kijken of daar plek voor haar was. Ze woont er nu een paar jaar en heeft er de ‘fysieke nabijheid van mensen en het gevoel van verbondenheid’ waar zij op hoopte, gevonden.

Dat mensen kiezen voor gemeenschappelijkwonen heeft vooral - en op zijn minst óók - te maken met de verwachting er leuke en letterlijk nabije anderen te vinden met wie je samen dingen kunt doen en een zekere verbondenheid voelt. Kúnt doen, niet móét doen!
Helemaal vrijblijvend is het uiteraard niet: zelfbeheer en de organisatie van - meer of minder - gemeenschappelijke activiteiten vereisen ‘bemensing´en een ‘coherent netwerk’. (zie hiervoor de presentatie van Tony Weggemans).

Terug naar de vraag van deze dag: wat voor relaties ontstaan er in woongemeenschapen en in hoeverre worden verwachtingen op dat gebied ingelost? Voldoet het aan de behoefte van mensen aan intimiteit en continuïteit?

Hiermee kom je op het terrein van duurzaamheid van woongemeenschapen. In de jaren zeventig was er kritiek op het gebrek aan ‘sociale duurzaamheid’. Woongroepen / woongmeenschappen en hun voorgangers, communes, komen en gaan. Dat was zo en is nog zo.
Het heeft onder meer te maken met de nadruk op vrijheid: ‘zo min mogelijke regels’ was een veel gehoorde uitspraak in de begin tijd en soms nog. Een van de eerste onderzoekers van communes in Amerika, Rosabeth Kanter *) noemt dit ‘de paradox van de commune’. Een gevolg hiervan is een onzekerder en meestal korter bestaan dan het modale gezin. Inmiddels zijn de meeste groepen zich bewust van het belang van afspratken ('regels') en dat die onmisbaar zijn als je iets duurzaams tot stand wilt brengen.

Maar de relatief geringe duurzaamheid van woongemeenschapen en communes heeft ook, zelfs juíst positieve kanten, aldus onder meer de psychiater Nevejan in de jaren 70. Hij refereert daarbij aan het ‘hoge drukpan’ effect van het leven in (kern) gezinverband. De structuur daarvan is zo sterk, zowel door verwachtingen van de gezinsleden zelf als van de buitenwereld, dat ‘de persoonlijkheidsstructuur’ eerder stuk gaat dan de structuur van het gezin. Dat zal in een woongemeenschap niet zo gauw gebeuren en is een voordeel van deze sociale woonvorm.

In het verlengde hiervan ligt de socio biologische benadering van Maryanski en Turner in ‘The social cage’ (1994). Zij stellen dat elke sociale organisatie op gespannen voet staat met de aangeboren eigenschappen en neigingen van de mens. Van nature heeft de mens een voorkeur voor ‘lichte relaties’ (low density networks and weak ties). Sociale organisatie is nodig, omdat mensenkinderen langzaam volwassen worden. Ook ecologische omstandigheden dwingen tot coöperatief gedrag, vroeger al, maar zeker in onze post industriële samenleving, gekenmerkt door flexibiliteit en veel mobiliteit. Het leven in duurzame sociale verbanden ‘of dat nu een gezin is, een dorpsgemeenschap of een familienetwerk’ levert altijd stress op volgens Maryanski en Turner. Voor wonen in groepsverband bestaan minder geschreven en ongeschreven regels en daardoor brengt het relatieve vrijheid en minder stress met zich mee.

Dit gaf aanleiding tot een (misschien wat al te) gemakkelijk te stellen en moeilijk te beantwoorden vraag:
Draagt het wonen in een woongemeenschap bij aan het geluk van mensen?

Als je die vraag deskundig beantwoord wilt krijgen is Ruut Veenhoven, ook wel bijgenaamd de ‘geluksprofessor’, de aangewezen persoon.
De mail (2008) met zijn antwoord op deze vraag is nog steeds verhelderend:

“Ik denk niet dat gemeenschappelijk wonen iedereen gelukkiger zal maken, want deze woonvorm stelt een aantal psychologische eisen. Ik geloof wel dat het bestaan van deze optie bijdraagt aan het gemiddelde geluk in Nederland, want voor heel wat mensen is het een uitkomst en het past zowel in de aard van de mens als in de tijd”.

Het past ook bij een aantal demografische en culturele ontwikkelingen. Het percentage ouderen is sterk toegenomen en van die kant is er veel belangstelling voor gemeenschappelijkwonen en actie op dat gebied. Dat houdt verband met een andere ontwikkeling, het toenemen van het percentage (ook bewust gekozen) alleenwonenden en de inmiddels in steeds bredere ‘inburgering’ van seriële monogamie.

Voldoet gemeenschappelijkwonen aan de verwachtingen?
Voor de Amsterdamse vrouw die in een Centraal Wonen project is gaan wonen is dat het geval. Zij vond er wat zij zocht: nabijheid en verbondenheid. Maar dat is nog lang geen antwoord op de vraag.
Wel een mooie overgang naar het tweede deel van de woongroependag-ochtend met Tony Weggemans.

Anna Dijkhuis

Hand omhoog wie vrienden heeft overgehouden aan de woongemeenschap

 

foto